name

folgje ús

Facebook Twitter Google

 

Frysk     English

Recensie

‘Ik sta er niet in, jij wel?’

Over Zolang de boom bloeit: Korte geschiedenis
van de Friese literatuur

Friduwih Riemersma - Fers2 nû. 4.12, 17 juny 2018

 

Zolang de boom bloeit

Vertalingen verschenen in Frysk, Duits, Engels, Nederlands; niet in het Bilts

 

 

 

Op pompier hwet moais to skrjuwen
      Is gjin wirk onfoege swier,
Mar dat ’s altyd net to leauwen,
      Alle moaiens is net wier.Op papier wat moois te schrijven / Is geen werk buitensporig zwaar, / Maar da’s altijd niet te geloven, / Al het mooie is niet waar.

—Waling Dykstra  

 

 

Historisch en letterkundig centrum Tresoar zijn nieuwe boek over de Friese literatuurgeschiedenis, officieel geschreven door Joke Corporaal, heeft 50 bladzijden effectieve tekst. Een aflevering van Fries literair tijdschrift Ensafh is dikker met 60 bladzijden. Wel kunnen op die bladzijden ruim 400 woorden, want het geschiedboek heefte een ongebruikelijk klein lettertje. Maar dat gebeurt niet. De opmaak is volgens webshoptemplate, met rode draden en ‘moods’—“Zoektocht om it ware Friesland”—in boodschap-fonts en heldere kleuren. Hopen plaatjesmateriaal—soms van slechte kwaliteit; schrijver Aggie van der Meer glimlacht ons toe vanuit een kapot beeldbestand—en tekstdecorerende randen en lijnen persen de tekst inelkaar tot een onvriendelijk verzekeringscontractformaat, tussen rouwrandsmalle bladzij­marges zodat het boek slecht in de hand ligt. Leesbaarheids­regels schenden en schreeuwerige typografie is anders niets voor de commerciële uitgever Bornmeer. Wie wil zo’n boek hebben?

De provincie, suggereert het colofon. Leerlingen en studenten en bezoekers van het culturele hoofdstadevenement, zegt het voorwoord. Maar van een studieboekopzet is geen sprake. De kern van zo’n opzet, overzichtelijkheid, mist volkomen. Al is er een naamregistertje, een zaakregister ontbreekt. Een logische, doorlopende hoofdstukindeling, noodzaak voor een schoolboek, heeft plaatsgemaakt voor een hink-stap-sprong door het bron-literatuurgeschiedboek Zolang de wind van de wolken waait, ook van Tresoar, heen. Betekenisvolle titels voor de inhoudsopgaaf, een eis voor schoolboeken, zijn niet nodig gevonden en de leerling moet het doen met titels die naar literatuur noch geschiedenis verwijzen, zoals “Fries laagland”. Om bladzijnummers moet men zoeken. Na een uurtje bladeren springen ineens op elke rechterbladzij, maar niet één linkerbladzij, occult omhooggeschreven cijfers uit de witrand vandaan: “2000 >”. Vergeet de leerlingen en studenten. Het boek is een shortlist van Friese bewegersiconen van Gysbert Japicx tot Nyk de Vries. Een who’s who, met foto’s erbij waarvan het zien nooit meer ongedaan kan worden: Simke Kloosterman, aardig minder sexy dan ik altijd dacht, heeft helemaal geen Friese hengst maar een of andere slome knol.

Even nonchalant als de vorm en het doel komt de inleiding op de lezer over. Er staat dat “eigenlijk niets Nederlandser is dan de Friese literatuur”, maar wat Friese literatuur is wordt niet verklaard, laat staan wat literatuur an sich is. Dan staat er dat het niet speciaal gaat over literatuurgeschiedenis: “in 2018 is Leeuwarden een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa ... in dit boek gaat het over het proces dat daaraan voorafging en erop volgde, over de hoogtepunten maar ook over de dieptepunten van de Friese literatuur en taal.” De “hoofdtekst”—blijkbaar is er ook een bijtekst—gaat over de context waar de Friese literatuur, wat dat ook zijn mag, in ontstond. Prima, want literatuurgeschiedenis, dus de systematische, kritische organisatie van literair materiaal op grond van interne en externe karakteristieken, heeft belangrijke tekortkomingen. In de eerste plaats laten literaire teksten zich slecht indelen naar oppervlakkige eigenschappen en nog minder als dat gronologisch moet. Homogene stijlperioden zijn amper aan te wijzen; werk uit verschillende tijdperken overlapt vaak meer qua vorm, inhoud en receptie dan werk binnen een tijdperk, niettegen­staande de druk om een trend na te volgen.

Maar na de inleiding blijkt dat ze bedoeld hebben dat in het boek geen letter literatuur zal staan. Negentig jaar geleden bekritiseerde Jelle Brouwer, die de eerste directeur van de Fryske Akademy zou worden, de voorganger van het geschiedboek, het handboek Fryske skriftekennisse van Douwe Kalma, om een contrasterende reden. Brouwer zei dat een geschiedboek dat de namen noemt, de oordelen uitspreekt en alle bronnen geeft, de honderden bladzijden bloemlezing die Kalma opnam, niet nieuwsgierig maakt naar de Friese literatuur. Scheelt het dan niet of er wel of niet literatuur in een literatuurgeschiedboek opgenomen wordt, is de vraag. Een antwoord hangt natuurlijk af van het hogere doel, van wat men wil voorbij het geschiedboek. Brouwer heeft zich altijd ingezet voor horizonverbreding van kinderen uit minder vindingrijke gezinnen en intellectuele verrijking van studenten en wees dus het idee van complete informatie af; Brouwer wilde de aangeboren menselijke nieuwsgierigheid naar meer en anders niet doden. Maar van idealen of visie of zelfs maar een vorm van humanisme en verantwoordelijkheid—wat zeker gestalte kreeg in het Lyts hânboek van ’76, in de serie Minsken en Boeken—kan men onze provincie niet beschuldigen. Het nieuwe boek is haar einddoel, zo blijkt uit de opzet. Wie literatuurwensen heeft zoekt maar een andere webshop.

In hoofdstuk 1 onttrekt de Friese literatuur zich aan de natuurwet die Frieslands elfstedentochten mogelijk maakte en de culturele hoofdstadfontein in Dokkum onmogelijk: de wet dat ijs voor het allergrootste deel onder water drijft. Niet de Friese literatuur, die heeft niets onder water: “Alleen het topje van de ijsberg is overgebleven en de rest is verdwenen.” Het nieuwe geschiedboek plaatst het begin van het “topje” gewoontegetrouw in de middeleeuwse gekopieerde teksten in de toenmalige Friese taal. Maar waar kwam die schrijftaal vandaan en welk doel zouden die teksten gediend hebben, als niet diezelfde taal gesproken werd door in ieder geval de elite van een bepaalde groep? Spreektaal is een automatisch gekopieerd systeem van symbolen om diepe betekenis over te dragen. Bijzondere, ‘artistieke’ verbeelding met die symbolen is evenzo overgeërfd menselijk gedrag. “Verdwenen”, in het “golvende water van de tijd”, doet zo bezien denken aan de Titanic: ondergaan gebeurt niet als niet iets daar wreed toe dwingt. Het geschiedboek bakent terloops literatuur af tot geschreven tekst en koppelt het los van spontaan menselijke, dus orale symbool­overdracht. Dat is uitgekookt. Want het Fries is als spreektaal haast verdwenen, maar dat geeft niets als alleen de geschreven “top” telt. Geschreven tekst wordt nu zo fanatiek overheidsondersteund dat ‘in opdracht’ geen overdrijving is. Onnodig te zeggen dat die nieuwe tekst niet kritisch opgenomen wordt in het corpus maar liturgisch, zoals de gekopieerde wetsteksten die volgens het nieuwe geschiedboek “een uniek beeld van de leefwereld van de Friezen” geven.

Hoofdstuk 2 springt naar de zeventiende eeuw. Aan beloofde context ontbreekt het. Bijvoorbeeld, wie kon toen lezen? Het analfabetisme werd snel minder in de gouden eeuw, maar in 1827 ging maar een op de acht mensen naar school in Friesland. Vanzelfsprekend haalde het gros lang niet het leesniveau voor gedichten. In dat vauüm noemt het geschiedboek—de passage is zo rechtstreeks overgenomen uit andermans onderzoek (en het geschiedboek is niet geannoteerd) dat het plagiaat is—Johan van Hichtum zijn ‘Ansk en Houk’. Dat gedicht is goed bestand tegen de tijd en vol met Vergilius voor de Vergi-fan, maar het is niet vertaald naar modern Fries; het geschiedboek bedoelt duidelijk niet te zeggen van lees het, maar noemt het als achterdoek voor de dichter Gysbert Japicx. Japicx—de man, niet zijn werk—wordt daarna behandeld in een vignetje dat los staat van de hoofdstukken, evenals de andere vignetten als onverwante grafstenen in de grond gestoken. Het hoofdstuk zelf neemt een onverwachte wending. Dichter/psalmvertaler Jan Althuysen komt erin as voorbeeld (van professoren en studenten “die ook belangstelling voot het Fries [hadden] en dat zette weer anderen aan”). Een voorbeeld is een extra element, over te slaan voor wie het verhaal snapt, maar hier staat weggemoffeld: “Het is het discussiepunt dat in de volgende eeuwen steeds weer zal terugkeren: hoe moet de Friese literatuur zich verhouden tot de literaturen om haar heen? Naast een streven naar ‘hoge literatuur’ in het Fries was er ook altijd behoefte aan herkenbare stukken in de volkstaal.”

Het onderscheid tussen de Friese en de Nederlandse literatuur, de politiek van taal en nation building, is echter een volkomen ander vraagstuk dan de obsessie met het onderscheid tussen hoge en lage cultuur dat eind zeventiende, begin achttiende eeuw in Engeland uitbrak en begin twintigste eeuw bij de Friese beweger Douwe Kalma. Maar als men terug zoekt, bij Althuysen en zijn voorgangers, waar de beide kwesties in wortelen volgens het geschiedboek, dan staat er niets. De redactie—Babs Gezelle Meerburg, Ans Wallinga, Goffe Jensma en Teake Oppewal—willen zo te zien geen discussie over het discussiepunt. De lezer zal niet weten voor wie de Friese literatuur een etnische eigenheid “moet” hebben en wie precies “herkenbare” literatuur in de “volkstaal” nodig heeft. Maar was dat niet de jury van de ‘hoogste’ Friese overheidsprijs voor literatuur, die in 2015 mainstream mystery fiction bekroonde? Doet een geschiedboek niet pas recht aan de eigen geschiedenis als het daar een vraag over stelt?

New criticism heeft ons geleerd onze emoties uit de tekst te houden, maar vertwijfeling, mag dat? Want ‘hoort’ een geschiedboek niet een debat aan te slingeren? Of geloof ik, naïve babyboomer, tegen beter weten in in dialoog en de plicht van beschavingsoffensieven van de overheid, zoals dit geschiedboek, om de kwesties ter sprake te brengen? Maar myn collegaschrijvers zeiden hetzelfde: dat iedereen vlug in het boekje kijkt of hijzelf ‘erin staat’ en blij is als het wel zo is en boos als het niet zo is, zodat de ernstige vragen van vandaag uit zicht raken, en zodat het literatuurgeschiedboek dus geen fundament biedt voor verder. Maar Friesland, antwoorde ik (al voor ik het geschiedboek zag), heeft een canoniseringssysteem dat typisch is voor een minderheidscultuur, dat is bekend. Wat men doet is dat men tijdvakken indeelt. Voor die tijdvakken schept men kunstmatig een of twee iconen. En voor de rest van de schrijvers houdt men het veld helemaal egalitair en democratisch. Elke literator heeft evenveel kans op een regel in een boek, een opdracht of prijs, ongeacht hoe hard hij werkt, en dat maakt dat hij steeds zijn collega’s bevecht en niet samen het systeem.

Daar komt bij, hoofdstuk 3 heeft het wel over de traditie van de pioniers, de Friese rijmpjes van de broers Halbertsma, de gemeenschappelijke vertellinkjes, onze samen verzonnen historische volksverhalen, de Friese trotsepi, het collectieve diepfriese gemoed van Douwe Kalma, de boerenidylle van Brolsma en Postma en de folkloristische lieflijkheid van Gysbert Japicx tot Tsjêbbe Hettinga, maar bedenk dat die het allemaal niet gered hebben. Ze hebben zich maar even en zwak geuit. Ze hebben de rijen niet gesloten. Er is nauwelijks iets van hun cultuurmissie overgebleven. De literatuur van vandaag zit stampvol egoïsme, materialisme en vooral een ijzingwekkend individualisme. De achterflaptekst is maar al te waar en somber: “De Friese literatuur is uitdrukking van de eigenheid van Friesland. Door de eeuwen heen hebben Friese schrijvers en dichters in hun eigen taal geschreven: over zichzelf, over hun taal en over hun land.” Die—subsistentiestrategyske—politiek correcte schrijverij is een verschuiving naar een culturele Sklavenmoral, die het doorslag­gevend verschil is tussen verleden eeuwen en vandaag. Niet te missen en bovendien geproblematiseerd door buitenlandse minderheidsliteratuurstudies. Echter, het geschiedboek merkt het niet op, en dat hoewel het zegt niet in de boeken te kijken maar juist naar de context.

Na het hoofdstuk over de negentiende eeuw, dat slecht geschreven is, worden de hoofdstukken snel nog minder van kwaliteit. Mogelijk komt dat omdat literatuurhistorisch onderzoek zich minder richtte op de twintigste eeuw. Naar de na-oorlogse literatuur is bijna geen onderzoek gedaan. Ook is het geschiedboek deel van het probleem dat het aan het eind signaleert, dat literatuurstudie nu zo goed als uitgestorven is, want het volgt de trend om Friese literatuur niet wetenschappelijk te bekijken. Maar meer voor de hand liggen geschiedkundig methodisch onvermogen en—want bronnenkritiek is overgeslagen—lethargie. Een vignet na hoofdstuk 4 vertelt over de kritiek op het Letterenfonds dat voor op de Frankfurter Buchmesse van 2013 twee boerenromans uitkoos en geeft dan een reactie van de schrijver Trinus Riemersma. Het citaat is zo slecht gekozen en onduidelijk dat Corporaal erna Riemersma gauw verbetert, maar het punt is: Riemersma was in 2013 al twee jaar dood.

Hoofdstuk 5 ‘Blik op Europa’ heeft geen “Europa” in de tekst, behalve een uit de context gescheurd citaat van schrijver Anne Wadman over dat schrijvers zich volgens Kalma [sic] niet provinciaal moeten oriënteren. Een losse kreet dus; lijn zit er niet meer in het verhaal. De niet-theoretische benadering van geschiedkunde in het geschiedboek breekt op. Dat dat juist in de recente geschiedschrijving, van de tweede helft van de vorige eeuw af, echt opvalt is geen wonder. Enkele direct betrokkenen bij de Friese literatuur, zoals literatuurvorser Antsje Swart, leven nog en hebben een levend inzicht in wat ze meegemaakt hebben: was bijvoorbeeld in de jaren zestig werkelijk “democratisering het devies” en niet nog altijd—zoals trouwens de nonfictie van Wadman en de fictie van de andere “vernieuwer”, Riemersma, beklemtonen—god en bijbel? In de postmoderne opvatting van geschiedschrijving bestaan ‘feiten’ niet meer en blijft betekenis fluïde. Zo’n outlook kan moeilijk zijn voor een niet-wetenschapper als Corporaal, maar hij zal vooral haaks gestaan hebben op de opdracht om een groot verhaal te maken. Impliciet maar overduidelijk is gekozen is voor de ouderwets onkritische pedagogie van het oplepelen van wat zonneklaar is en geen uitleg behoeft: van waargebeurde, vaststaande wapenfeiten in een rechtdoorlopende tijdstroom die alle contradicties kanaliseert tot “vriend en vijand was het erover eens”—tot cultuurnationalistische eenheid.

In schoolgeschiedboeken die onder rechtstreekse politieke controle staan komt bijna altijd een ideologische bewerking van het verleden tot stand. Zulke geschiedboeken geven als authentiek beschouwde kennis die het officiële stempel van waarheid krijgt, maar die niet meer is dan een kennisclaim, want zelden kan er onderbouwing aangedragen worden voor de waarheden. Gewoonlijk kan dat ons niets schelen: wij zijn voor een geschiedenis­canon, wat moeten wij de kinderen anders leren? Daarbij hebben alle schoolboekredacties te maken met commerciële eisen en dwingen economische factoren hen tot aantrekkelijke selecties, ingrijpende reducties van materiaal en perspectieven en een simplificatie van standpunten (en daarbij gaat vaak vanalles mis).

Maar er is ook selectie en interpretatie waarover de redactie zeker controle gehad heeft: de literaire canonvorming. Totdat een literatuur een canon heeft, een top boven water, is die niet op het ontwikkelingspeil dat wetenschappelijk bestudeerd kan worden, zo wordt vaak gedacht en ook hier. Het is niet zo. Academici laten zich niet leiden door canons want die verstenen onderwerpen en zetten studie om in napraterij. Canons zijn een vrij gesloten systeem, ze maken bepaald werk beschikbaar en leggen ook de begrippen vast om dat werk mee te beoordelen. Volksliteratuur heeft gewoonlik geen canon—daarom heet het in Friesland geen volksliteratuer maar -schrijverij—tot de ongeregeld oraal doorgegeven verhaaltjes volgens die vaste lijnen verzameld, vergeleken en ontvlooid zijn. Canons brengen voorspelbare vooroordelen om teksten mee te verklaren. Daaraan verbonden bevoordelen de regels voor het uitkiezen van canonieke teksten de machtigen en sluiten ze de marginale groepen uit, ongeacht de kwaliteit van het werk. Van canonisering gaat een sterke modelwerking uit, anders gezegd canons werken zelfcensurerend. Daarom verstoren canons de literatuur.

Bovendien—hoofdstuk 6 gaat over de ‘trend’ van Friese schrijvers om in het Nederlands te schrijven—is er fossilisering. In Friesland is geen progressieve kunst ontwikkeld in de loop van de twintigste eeuw. Er is geen links theater gekomen, er is geen zelfbewuste en vooruitstrevende literatuurbeweging, er zijn geen politiek-literaire manifesto’s, er is geen ideologisch volwassen publiek gekweekt, en er is helemaal geen debat is over hoe neonationalisme en neoliberalisme de vrije kunst doen stikken. Hell no, liever dreigen om Nederlands te schrijven dan eens een kritische blik werpen op de Friese instituten die met hun benauwende zelfhistorisering de Friese literatuur in de weg staan en zuiveren.

Het laatste hoofdstuk is een opsommen van feiten zonder verband. Als er al een oorzaak of gevolg ter tafel komt is dat meest in het grijze gebied tussen leugen en misleiding. Zo zouden de uitgeverijen de Koperative Utjowerij en de Friese Pers Boekerij hun dominante uitgeefpositie verloren hebben door “de opkomst van de digitale media.” “Grote veranderingen” staat erbij en dat klinkt aannemelijk, want met het effect van technologie op de uitgeef­industrie wordt wereldwijd bedoeld dat de afzetmarkt voor het papieren boek steil omlaag gaat doordat e-books en print-on-demands de markt overspoelen, respectievelijk omzeilen. maar dat gebeurde niet in Friesland. Nu nog niet. De Friese literatuur kent amper e-books en directe schrijver-lezerafzet. De Facebookmuur van schrijversvakvereniging It Skriuwersboun, zegt het geschiedboek, “fungeert als de stamtafel voor de ruim tweehonderd leden: schrijvers, vertalers, journalisten, leraren Fries etc.” Fungeren is een slim gekozen woord: het lijkt synoniem met functioneren, maar terwijl functioneren ook betekent goed werken, betekent fungeren enkel dienst doen. Op de Skriuwersbounmuur staan zo’n vier berichten per maand, van het bounsbestuur zelf, zonder ‘likes’, laat staan een reactie van een van de tweehonderd.

Ernstig is de geschiedsrevisie pas echt als die de Friese literatuur een bepaalde kant uit forceert. Canons, naarmate die meer rigide zijn, zijn niet goed voor literatuur. Ze brengen een set regels voort om te bepalen wat grote werken zijn, wat schrijvers hun vrijheid verstikt en ook de spontane waardering van het publiek. Demotiverend en discriminerend is de onbeschaamde leugen—Corporaal zat zelf in een redactie met een vrouw als hoofd—dat vrouwen wel in redacties van Friese tijdschriften kwamen maar niet as hoofdredacteur. Wat vertelt dat de vrouwelijke hoofdredacteuren: niets anders toch dan dat hun inbreng zo futiel is dat ze over het hoofd gezien mogen worden, zodat ze het evengoed aan een man kunnen overlaten, zelfs wanneer ze werk over een vrouw steevast wegzetten als vrouwen­lectuur en dus de hoofdredactie voeren als een kerel.

Over een oorzaak van het achterblijven van vrouwen in de Friese literatuur zegt het geschiedboek niets; de vraag waarom stelt het alleen als er losse eindsjes in het verhaal weggewerkt moeten worden. Maar de opkomst van de feministische literatuurtheorie liet zien dat vrouwen het allermeest te winnen hebben bij het doorbreken van de dode witte mannencanon. In Friesland is de vrouwen-brain drain gigantisch geweest, en/want enkel in de marges was ruimte voor borsten, uit zo’n marge kwam ooit de vrouwelijke schrijver Elske Schotanus. Maar het momentum voor omwerpen van de canon heeft altijd ontbroken omdat de Friese literatuur een product was en is van cultuurnationalisme. De provincie heeft geen kunstbeleid; alleen taal- en cultuurbeleid. De minderheidscultuur Friesland doet moeite om ‘zijn’ potentieel creative schrijvers, inclusief Schotanus, te prikkelen om te schrijven in zijn taal en geeft opdracht aan schrijvers om een keur aan stukken te maken over zichzelf, over het Fries en over Friesland. Het grootste deel van wat de Friese jongeren doen is kopiëren. Dat weten we al een eeuw. Wat korter, maar op zijn minst twintig jaar, weten we dat er om die reden niet meer uitgegeven wordt voor een echt publiek, maar enkel voor een menigte die zichzelf in stand houdt met interne concurrentie en schone schijn schrijven en ja & amen.

Samenvattend, Zolang de boom bloeit: Korte geschiedenis van de Friese literatuur mist geschiedkundige methode, precisie, doel en lijn en is onbetrouwbaar, selectief, rommelig en slecht leesbaar. Ondertussen, al een hele poos, moeten de hoogcreatieve mensen met de kracht om op afstand te overzien en kritisch te staan, bereid zijn om de intellectuele en artistieke eenzaamheid te accepteren. Want wie dingen zegt die ertoe doen en origineel zijn krijgt meteen kritiek vanuit de traditionele standpunten. Zodoende eist aanwijzen van alternatieve paradigma’s een behoorlijke zelfverzekerdheid en een voelen van correctheid en rechtvaardige grond voor wat men doet. En zo ziet men dat het beetje critici dat er is een paar facetten aanvalt, zoals van dit geschiedboek dat het wemelt van de typfouten. Geen criticus heeft het geheel aangevallen. Geen criticus valt het systeem aan dat zo’n geschiedboek produceert. Friesland heeft geen critici. Dat feit is ernstiger dan het geschiedboek zelf.